Nieuws

Reactie op het opiniestuk van Kim Fairley in de Volkskrant van 5 maart 2024.

PISA-uitkomsten over dalende leesvaardigheid deugen wel degelijk

In de Volkskrant van 5 maart 2024 bepleit Kim Fairley dat we de uitkomsten van het PISA-onderzoek met een korreltje zout moeten nemen. De redenen die ze daarvoor aandraagt verdienen echter enige nuance of zijn zelfs ronduit onjuist (en dat geldt niet alleen voor de inmiddels gecorrigeerde bewering over leeftijd).

Allereerst beschrijft Fairley dat leerlingen minder gemotiveerd zijn om de PISA-toets te maken, omdat het een low-stakes toets is waarvoor ze geen cijfer krijgen. Dit is op zich correct en een verschil in motivatie kan prestatieverschillen tussen landen inderdaad deels verklaren, net zoals overigens allerlei andere zaken waarin landen verschillen zoals onderwijsstelsels of onderwijsbudgetten. Het zijn echter niet zozeer de lagere prestaties van onze jongeren ten opzichte van die in China die ons zorgen baren, maar de daling van de prestaties van Nederlandse jongeren in 2022 ten opzichte van die in eerdere jaren in Nederland. De PISA-toets is altijd al een low-stakes toets geweest. De eventuele lage motivatie van leerlingen kan dan ook geen verklaring bieden voor de daling in leesvaardigheid die we de laatste jaren constateren, tenzij er een hypothese naar voren wordt gebracht die stelt dat die motivatie is verminderd.

Als tweede reden wijst Fairley erop dat leerlingen vragen kunnen overslaan in de PISA-toets. Ook dit is correct, maar de conclusie dat ‘de betrouwbaarheid van de leesvaardigheidsscores in het bijzonder laag is’ is veel te kort door de bocht. Om te beginnen zaten de leesopgaven in 2022 niet voor alle leerlingen in het laatste toetsdeel. Bovendien blijkt uit een verdiepende analyse op het toetsgedrag van Nederlandse leerlingen in PISA-2018 dat in Nederland het percentage niet-gemaakte opgaven gemiddeld gezien laag is ten opzichte van omringende vergelijkingslanden. In Zweden, bijvoorbeeld, was het percentage overgeslagen items gemiddeld bijna drie keer zo hoog. Daar komt bij dat de daling van de Nederlandse prestaties in 2022 ten opzichte van eerdere metingen ook geldt voor wiskunde en dat de daling van leesvaardigheid ook al in 2018 (toen lezen het hoofddomein was) zeer fors was.

Als derde reden om de PISA-resultaten niet serieus te nemen, beschrijft Fairley de ‘merkwaardige gebeurtenis’ dat in Nederland ‘maar’ 88,8% van de geselecteerde scholen heeft deelgenomen en niet de door PISA vereiste 95%. In tijden van hoge werkdruk en lerarentekorten is het allereerst bewonderenswaardig dat alsnog 154 scholen wilden deelnemen aan het onderzoek. Belangrijker nog: omdat de 95% niet werd behaald is een non-responsanalyse uitgevoerd, waaruit bleek dat de eindexamencijfers van deelnemende scholen niet afweken van die van geselecteerde scholen. De conclusie was dan ook dat de in Nederland verzamelde data wel representatief zijn.

We hebben nergens in ons rapport aangegeven dat een directe vergelijking met eerdere PISA-metingen niet mogelijk is. We hebben wel een zo volledig mogelijke beschrijving gegeven van de uitvoer van PISA in Nederland met de daarbij behorende nuanceringen. Om in de woorden van Fairley te spreken, er zitten zeker ‘wat mitsen en maren aan het PISA-onderzoek’, al is het maar dat we steeds opnieuw moeten uitleggen wat er op grond van de resultaten wel en niet kan worden geconcludeerd. De uitkomsten geven echter wel degelijk een belangrijk signaal over de opbrengsten van het Nederlandse onderwijs. PISA is bovendien al lang niet meer het enige onderzoek dat een daling van leesvaardigheid laat zien en daarmee om actie vraagt: ook in het internationaal vergelijkende PIRLS-onderzoek in groep 6 en het nationale Peilingsonderzoek Leesvaardigheid in groep 8 van het basisonderwijs is een daling in leesvaardigheid zichtbaar. Het verbeteren van de leesvaardigheid vraagt een gezamenlijke inspanning van de gehele maatschappij. Het afzwakken van de PISA-resultaten en de leescrisis die zich in Nederland voltrekt, helpt daarbij niet. Of zoals Cor Aarnoutse het zegt in zijn interview met de Volkskrant (d.d. 28 februari 2024): “Een omwenteling vereist alleen de moed van mensen om het anders te doen. Aan de urgentie mag het niet liggen.”

In het oorspronkelijke opiniestuk stelt Kim Fairley onterecht “dat Nederlandse jongeren hierdoor – andere landen verplaatsten hun toetsafnames niet – zo’n zes maanden jonger waren dan de scholieren uit de veertien Europese landen met wie ze langs de meetlat werden gelegd”. Naar aanleiding van de correctie van het opiniestuk (d.d. 13 maart 2024) hebben wij onze reactie aangepast. De verwijderde alinea uit onze reactie op het oorspronkelijke opiniestuk is hieronder terug te lezen.

“Als vierde en laatste reden noemt Fairley dat Nederlandse jongeren door het verplaatsen van de toetsafname van het voorjaar naar het najaar zo’n zes maanden jonger waren dan de jongeren uit landen waarmee ze vergeleken worden. Dit is pertinent onjuist. In elk land heeft PISA betrekking op dezelfde leeftijdsgroep. De selectie gebeurt op basis van geboortedatum waarbij leerlingen, die aan het begin van de afnameperiode tussen de 15 jaar en 3 maanden en 16 jaar en 2 maanden oud zijn, geselecteerd kunnen worden. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse leerlingen in PISA-2022 was dus niet anders dan in PISA-2018 (circa 15,8 jaar) of dan de leeftijd van leerlingen in andere landen.”